Zijn Leven
Biografie van Jan
Opgetekend door zijn zwager Jan Freijse

Jan werd geboren op 2 april 1935 te Oisterwijk. Hij was de tweede in de rij van vier kinderen van Harrie Verhallen en Tonia Swanenberg:
Anny, Jan, Antoon en Mieke. Vader Harrie was afkomstig uit Den Dungen, uit een boerengezin, en werkte op de leerlooierij te Oisterwijk.
Moeder Tonia kwam uit Hintham, oudste dochter uit een gezin van 11 kinderen, daarom ook wel "ons Zus" genoemd.
Reeds als klein kind kwamen Jan's bijzondere eigenschappen tot uiting. Hij kon bijzonder goed omgaan met andere kinderen,
was een intelligent baasje. Op de kleuterschool kende hij al allerlei kleurschakeringen, een voorbode van de kleurrijke kunstwerken
die hij in zijn latere leven zou gaan maken.
Toen Jan zijn eerste communie deed, in die tijd meer dan alleen een feest, kreeg hij van zijn opa uit Den Dungen een felicitatie op rijm.
Jan heeft het zijn hele leven bewaard, we vonden het na zijn dood in zijn archief.

Den Dungen
14 Mei 1942
Lieve Kleinzoon,
Eerste Communikantje,
Hartelijk Gefeliciteerd van Grootvader
Mijn innig dierbaar kleinkind
Gij wordt van mij zeer veel bemind
Doch mijn kind, de Lieve Heer
Bemind U toch nog eindloos meer
Want uit zuivere liefde tot U
Komt Hij in Uw hartje nu
Houd dan immer dat hartje rein
Laat Jezus steeds Uw beste vrindje zijn
Blijf één met Hem, geheel Uw leven
En een heerlijk loon zal Hij U Geven
Uw dierbare Grootvader
Antonius Verhallen

Op de lagere school in Oisterwijk werkten fraters als onderwijzers. De fraters behoorden tot de Congregatie van Onze Lieve Vrouwe
Moeder van Barmhartigheid te Tilburg. Blijkbaar was Jan zo geïmponeerd door het werk van deze fraters dat hij ook frater wilde worden.
Na de lagere school ging hij dan ook naar het internaat van de fraters in Goirle, waar hij de middelbare school volgde. Dat betekende veel in het gezin en voor Jan: op 12-jarige leeftijd weg van huis, en alleen met Kerstmis, Pasen en in de zomervakantie naar huis. Moeder had het er wel moeilijk mee, maar was ook wel trots dat haar zoon frater wilde worden.
Na de middelbare school begon eigenlijk pas de echte opleiding tot frater in Tilburg. Fraters dienden het onderwijs, dus startte voor Jan de onderwijzersopleiding aan de kweekschool van de fraters. Na twee jaar begon de periode van noviciaat. Toen, in 1953, kreeg hij ook zijn fratersnaam: Bonifatius.
Een periode van intensieve voorbereiding op het fraterschap volgde. In die periode mocht Jan ook niet naar huis. Periodiek mocht hij wel bezoek ontvangen en daar maakten zijn vader en moeder met het hele gezin dan ook maar wat graag gebruik van, zoals te lezen valt in de vele brieven van moeder aan
Jan uit die tijd, die allemaal beginnen met "Lieve jongen" (Jan heeft ze zijn hele leven zorgvuldig bewaard !).
In 1954 deed Jan de eerste professie, gevolgd door de eeuwige professie in 1959.

Intussen ging ook de opleiding tot onderwijzer verder. In 1956 behaalde Jan zijn onderwijzersbevoegdheid (met een 10 voor tekenen !) en in 1957 het diploma van Hoofdonderwijzer ("volledig bevoegd onderwijzer").
Opvallend is dat hij op beide cijferlijsten een 9 scoorde voor "Kennis van het culturele en maatschappelijke leven", bron van wijsheid voor latere jaren waarin hij daarover veel wist te vertellen !
Per 1 september 1957 werd hij aangesteld als onderwijzer op de Leo XIII school te Tilburg. Jan heeft vier jaren aan deze school les gegeven. In 1960 behaalde hij ook nog de bevoegdheid LO tekenen en LO handenarbeid. Dat bracht hij dikwijls in de praktijk,
Bijvoorbeeld door jaarlijks een grote kerststal te bouwen in zijn klas. Daarnaast was hij in die jaren assistent van frater Caesarius Mommers bij de ontwikkeling van diens nieuwe leesmethode "Veilig leren lezen". De eerste woorden waren "boom roos vis", later "maan roos vis". Tot op de dag van vandaag hebben vele miljoenen Nederlandse kinderen, ook zijn oom-zeggers, volgens deze methode leren lezen.
Per 1 september 1961 werd Jan overgeplaatst naar het blindeninstituut St.Henricus te Grave dat door de fraters geleid werd.
Op 29 december 1963, in een turbulente periode van het instituut, werd hij daar benoemd tot pedagogisch adviseur van de staf.
In 1966 werd het instituut verhuisd van Grave naar de nieuwbouw in Nijmegen.
Vanaf september 1961 kreeg Jan van de fraters ook de opdracht om aan de universiteit van Nijmegen pedagogiek te gaan studeren.

Die opleiding was destijds nog niet zo duidelijk gestructureerd maar na een voortvarende start behaalde Jan zijn kandidaats op 20 mei 1965. Orthopedagogie was het specialisme waarvoor hij koos.
En zoals later is gebleken lag zijn hart ook bij jonge mensen en kinderen die professionele zorg nodig hebben.
Uit correspondentie blijkt dat de studie voor het doctoraal in de ogen van de fraters-leiding wel wat lang duurde, maar wat wil je ook als je al zoveel verantwoordelijk werk op Henricus tijdens je studie erbij moest doen. Bovendien werd Jan op 3 december 1964 benoemd in een Congregationele Commissie,
op 3 augustus 1965 benoemd tot adjunct-directeur van Henricus en op 22 augustus 1967 ook nog geïnstalleerd als lid van het Provinciaal Bestuur van de fraters. Zijn er tegenwoordig nog studenten die een dergelijk zwaar programma kunnen volbrengen tijdens hun studie ? Deze laatste functie heeft hij overigens per 8 januari 1969 al weer beëindigd: hij voelde zich geen bestuurder in die tumultueuze periode.
Die bestuurstijd is voor Jan een moeilijke, zij het korte periode geweest die van invloed is geweest op de verdere gang van zijn leven. Alle benoemingen getuigden natuurlijk wel van groot vertrouwen in de capaciteiten van Jan.

Na de beëindiging van zijn functie bij het Provinciaal Bestuur kreeg hij de tijd om zich weer aan de afronding van zijn studie te wijden. Op 6 oktober 1969 behaalde hij zijn doctoraal.
In 1963 deed de brommer zijn intrede bij de fraters en kon Jan de fiets voor de brommer verwisselen. Dat was al heel wat in die tijd. Dat maakte hem mobiel en Jan heeft er van genoten: hij sjeesde er mee door Nederland, maar ook door het aangrenzende gebied van Duitsland en bezocht daar vele kerken, misschien een beetje om te bidden maar vooral om de kunst in die kerken te bewonderen. Tientallen jaren later wist hij die weggetjes allemaal nog goed te vinden: hij had op alle gebied een zeer sterk geheugen, zoals menigeen weet. Dat hij met zijn brommer diverse malen op de bon ging blijkt wel uit een Sinterklaas gedicht uit die tijd waarin hij (door intimi Bonnie genoemd) mooi wordt neergezet. Klik hier voor het gedicht.
Na het behalen van zijn doctoraal heeft Jan een korte periode in het fraterhuis te Cuyk gewoond. In mei 1970 is hij daar met autorijlessen begonnen. Op 30 september 1970 werd hem zijn eerste rijbewijs overhandigd. De volgende anecdote is tekenend voor Jan. Toen de examinator wat geïrriteerd vroeg waarom hij de snelweg niet overstak, was zijn antwoord:Ik ben het knopje aan het zoeken waarmee ik kan opstijgen.
Gezien de vele functies die hij daarna her en der heeft bekleed is het behalen van het rijbewijs geen overbodige luxe geweest. Jan heeft er volop gebruik van gemaakt, met plezier, al hebben sommigen bij hem in de auto wel eens peentjes gezweet.

In augustus 1970 verhuisde Jan naar het fraterhuis in Udenhout. Dit had ook te maken met het aanvaarden van een parttimefunctie per 1 november 1969 bij Maria Goretti in Tilburg, een tehuis waar kinderen geplaatst werden vanuit de kinderbescherming.
In 1970 kwam daar een tweede parttime functie bij: De Schalmen in Tilburg, een tehuis voor werkende en studerende jongens, eveneens vanuit de kinderbescherming.
Per 1 januari 1975 aanvaardde Jan een functie voor 20 uur per week als pedagoog bij het MOB (medisch-opvoedkundig-bureau) te Tilburg, onderdeel van het RIAGG, Regionaal Instituut Ambulante Geestelijke Gezondheidszorg. De combinatie met Henricus, waar hij inmiddels ook in deeltijd werkzaam was, en met zijn andere parttime functies werd hem teveel en in 1975 nam hij dan ook afscheid van het blindeninstituut Henricus, met alle lof die daarbij hoorde, maar die hij ook weer op zijn eigen wijze relativeerde:
"Vaarwel zei de vos, dat dier waarmee ik me verwant voel omdat hij wel zijn haren maar niet zijn streken verliest, vaarwel zei de vos: Dit is mijn geheim, het is heel eenvoudig: alleen met het hart kun je goed zien, het wezenlijke is voor de ogen onzichtbaar."
Die laatste woorden heeft Jan later nog vaak gebruikt.

De jaren zestig en zeventig waren voor Jan een periode waarin de structuren en regels van de fraters alsook van de kerk in zijn algemeenheid conflicteerden met de opvattingen en beleving van Jan. Hij behoorde tot de jonge fraters die de vernieuwingen, ingezet door het Vaticaans concilie, wilden doorvoeren in de fraterorde - overigens mede op instigatie van de leiding van de fraters - maar daarbij niet altijd aan hun trekken kwamen.
Het was voor Jan een grote worsteling of hij wel voldoende ruimte kon krijgen om zijn inzet voor mensen te kunnen blijven uitoefenen in zijn frater-zijn.
In de beginjaren zeventig kwam bij hem steeds meer de gedachte op dat hij zelfstandig verder moest gaan, vrij, creatief, ontspannen en open, buiten de structuren van de congregatie. De functies die hij in die jaren aanvaardde, zoals hierboven beschreven, brachten hem ook steeds meer tot de overtuiging dat hij een keuze moest maken, of anders gezegd dat hij zijn levenskeuze uit de tijd dat hij voor het fraterschap opteerde moest herzien.
Hij kreeg de ruimte om voor rekening van de fraters alleen te gaan wonen, maar dat was onvoldoende om zich vrij te kunnen voelen. In 1974 heeft hij voorlopig, na uitvoerige schriftelijke motivatie aan de frater-leiding, afstand genomen van de fraters.
Uiteindelijk heeft hij in 1978 verzocht om ontslagen te worden van zijn geloften als frater, welk verzoek op 15 juli 1978 door de Congregatie voor de Religieuzen te Rome is ingewilligd. Maar de band met de fraters is altijd gebleven.
Eind 1974 ging Jan zelfstandig wonen in Tilburg aan de Mozartlaan en in november 1979 kocht Jan zijn woning in Lage Mierde, Draaiboom 9, waar hij tot zijn dood heel gelukkig heeft gewoond. Het contact met zijn naaste buren, de familie Maas, was voor beide partijen heel speciaal. Via hen raakte Jan ook zeer snel ingeburgerd in de dorpsgemeenschap van Lage Mierde
.
Inmiddels had Jan begin 1976 ontslag genomen bij Maria Goretti en De Schalmen en was zijn functie bij het RIAGG omgezet in een fulltime dienstverband. Jan werkte met heel veel plezier bij het RIAGG. Met name de contacten met zijn collega's daar waren voor hem een verrijking van zijn leven. De wijze waarop hij met kinderen en jongeren omging oogstte bewondering, hij liet ze zelf hun eigen krachten ontdekken, vertelde hen sprookjes met een boodschap of moraal.
Ook de ouders wist hij daarmee te overtuigen zodat de kinderen uiteindelijk weer op een beter spoor gezet konden worden. Velen van die kinderen hebben in latere jaren een blijvende vriendschap met Jan gekregen, toch een opmerkelijk resultaat van zo'n beroep.
In 1989 / 1990 werd Jan gevraagd om voor 12 uur per maand pedagogische hulp te verlenen voor de Robert-Coppes-stichting in Vught, een woonvoorziening voor kansarme blinde en slechtziende jongvolwassenen, een vorm van begeleide en zelfstandige huisvesting, een nieuw aspect in die tijd. Hij is toen, vanaf 1 maart 1990, enkele uren minder gaan werken voor het RIAGG
.
In 1990 maakte Jan een traumatische ervaring mee toen zijn neef Koen Freijse, bijna 16 jaar oud, om het leven kwam bij een ongeluk in Berkel-Enschot. Jan was erg op hem gesteld, hij zag in hem, zoals hij later schreef, "nogal wat van mijn eigen idealen gestalte krijgen". Voor hem werd toen "alles relatief, zelfs het leven".
"Door deze amputatie werd en wordt alles opnieuw onderworpen aan een kritische toetsing: wat is de moeite waard, wat kies ik, waar wil ik me echt voor inzetten."
De dood van Koen heeft zijn verdere leven gekleurd.
Ook zijn beroepsmatig functioneren bij het RIAGG werd toen voor hem een onderwerp waarop hij zich bezon, mede ook door de veranderingen die zich de laatste jaren in de organisatie en werkwijze van het RIAGG voltrokken, als ook doordat hij door een oud-collega van Henricus, Sjef Mateijsen, werd gevraagd voor een functie als pedagoog op het instituut voor doven Sint Marie in Eindhoven. In een brief (van zes kantjes !) richtte hij zich op 21 november 1990 tot de directie en collega's van het RIAGG om zijn ontslag aan te kondigen, ondermeer met de motieven als hierboven beschreven.
Parafraserend op de Latijnse versregel "Quem dei oderunt, Paedagogum facerunt" (= zij die door de goden gehaat worden, worden door de goden tot pedagoog gemaakt) schreef hij ondermeer: "de "goden" die me pedagoog maakten zorgden ervoor mijzelf een leven lang "een beetje kind" te houden. Ik weet op die manier aardig waarover het gaat in mijn "vak" en heb er nog altijd plezier in".
Per 1 maart 1991 verruilde Jan het RIAGG in Tilburg voor Instituut Sint Marie in Eindhoven, instelling voor slechthorenden en spraakgebrekkigen. Hij zag het als de laatste stap in zijn carrière, "waarbij ik de ervaring, opgedaan in nogal verschillende werksituaties, zou kunnen richten op een doelgroep waarvan ik veronderstel dat het pedagogisch ongeveer het zwaarsteis wat te bedenken valt".
Het was zijn laatste professionele uitdaging en ook in deze omgeving heeft hij respect afgedwongen bij directie en collega's door zijn open en warme manier van communiceren, zijn hoge professionele standaard en de wijze waarop hij kunst tot onderdeel maakte van het leven op Sint Marie.
Op 29 mei 1997 nam Jan afscheid van Sint Marie en ging op 62-jarige leeftijd met de VUT, al heeft hij gedurende meer dan tien jaren nadien Sint Marie nog op vrijwillige basis van advies gediend op allerlei gebied. Typisch voor hem had hij geregeld dat zijn afscheid zou samenvallen met de huldiging van een viertal jubilarissen, die Jan dan ook in zijn afscheidsrede alle vier om hun eigen kwaliteiten prees.
Het paste in zijn bescheidenheid waarbij de ander altijd belangrijker was dan hijzelf. Niettemin heeft hij toch behoorlijk in de schijnwerpers gestaan, mede ook omdat hij bij die gelegenheid aan alle medewerkers van Sint Marie een boekje aanbood waarin een aantal
van zijn toespraken en verhalen alsmede foto's van enkele van zijn kunstwerken werden samengebracht.
Het boekje was (toepasselijk !) getiteld: "Dames en Heren, Ik heb gezegd ... Dank voor uw aandacht"

Jan heeft van jongs af aan een uitzonderlijk talent voor creativiteit gehad. Hij was een kei in tekenen en handenarbeid,zowel op de lagere school als in de vervolgopleidingen. In de zestiger en zeventiger jaren schilderde en aquarelleerde hij veel.
Voor de fraters maakte hij bijvoorbeeld een kalender van 1966 waarvoor hij diverse brieven ontving met felicitaties voor het fraaie ontwerp. Maar hij produceerde ook vele schitterende religieuze werken, landschapstaferelen en "versierde" rijmpjes.
Zijn artistieke hobby was voor hem een manier van ontspannen naast zijn intensieve werk. In de loop van de tachtiger jaren ontdekte hij de glas-in-lood-kunst en met name de gebrandschilderde ramen. Op zijn vele tochten door Europa kregen die ramen altijd veel aandacht van hem. Hij wist alles van de ramen, maar ook van beelden, gebouwen en kunstobjecten die hij tegenkwam op zijn reizen en hij vertelde er graag over aan zijn medereizigers. Hij was geen liefhebber van foto's ("je kunt het beter met je hoofd onthouden"), maar hij liet door anderen wel foto's van ramen, beelden of kunstobjecten maken -of hij kocht er kaarten of dia's van- om ze later zelf goed na te maken.
De meeste van die zelf gemaakte kunstwerken gaf hij overigens ook weer weg; vaak maakte hij voor bijzondere gelegenheden voor iemand een mooi raam of schilderij.
Velen hebben hun dankbaarheid daarvoor laten blijken in geschriften. Na zijn pensionering is hij zich ook nog gaan toeleggen op een bijzondere vorm van handenarbeid: het maken van bouwsels met behulp van kartonnen dozen. De meest wonderlijke kastelen, torens, boerderijen, paleizen, huizen en zelfs hoeden heeft hij gemaakt.
Fantasiebouwsels noemde hij ze, maar sommigen bestonden echt en hij maakte ze nauwkeurig na, zelfs niet met een plastic raampje, maar met een glas-in-lood raampje !
In 2008 is een boekje over deze bouwsels verschenen, getiteld "Droomhuizen en Luchtkasten bestaan echt....in verbeelding".

Enkele jaren voor zijn dood heeft hij nog een cursus tempera-schilderen gevolgd om ook die techniek nog onder de knie te krijgen. Deze zeer oude techniek, gebaseerd op het mengen van pigmenten met eidooier en water, wordt ook gebruikt voor iconen. Enkele prachtige werkstukken van zijn hand hebben hun weg gevonden naar vrienden en familie.
In 2004 had Walter Tempels (die Jan nog als pupil van De Schalmen te Tilburg kende uit de zeventiger jaren) het idee om een zorgboerderij voor verstandelijk gehandicapten te beginnen.
Maar hij kon geen goede huisvesting daarvoor vinden. Toen hij erover sprak met Jan ontstond geleidelijk het idee dat het veel waardevoller en ook noodzakelijker zou zijn om een activiteitencentrum voor beginnend dementerende en licht geestelijk en/of lichamelijk gehandicapte mensen op te zetten.
Deze groep mensen viel in de reguliere zorg meestal tussen de wal en het schip, terwijl juist deze mensen zeer persoonlijke aandacht verdienden. Samen werkten ze het idee verder uit en Walter en zijn partner Anton wisten een mooie plek te vinden om dit te realiseren:
Ambrosiushof in Hilvarenbeek, een voormalig laboratorium van Universiteit Wageningen met een fraai arboretum. Voor de exploitatie werd een stichting opgericht die Walter, uit respect voor wat Jan in het verleden voor hem betekend had, de Stichting Jan Verhallen noemde.
In 2005 ging de stichting van start en met de hulp van professionele ondersteuning, toegewijde verpleging en vele actieve
vrijwilligers is Ambrosiushof een geliefde plek geworden voor zijn dementerende of anderszins gehandicapte bezoekers.
Jan was er trots op dat Walter dit bereikt had. Hij kwam er graag en vaak, niet alleen als lid van de Raad van Toezicht maar vooral uit persoonlijke betrokkenheid. Hier kunt kennis maken met dit bijzondere project.

Jan was een echte verhalen-man. Hij hield van sprookjes en kon er velen vertellen. Hij genoot van de natuur, kon er uren in wandelen, tot in zijn laatste dagen, en wist veel van bloemen en planten. Hij was ook een vlotte schrijver en spreker.
En bovenal was hij een man die graag mensen om zich heen had, samen praten, samen eten, samen drinken. Maar hij kwamook altijd weer heel graag bij zichzelf, in zijn eigen vertrouwde omgeving, alleen, terug. Of, zoals het in de viering ten afscheid bij zijn dood werd gezegd:
"Met zo velen verbonden maar aan niemand gebonden. Alleen maar niet eenzaam. Voor velen, maarvoor niemand exclusief. Veel onderweg, maar steeds weer verlangend naar zijn eigen warme thuis. Soms vluchtig maar wel trouw in zijn zorg en zijn vriendschap. Nergens en overal thuis."
Zijn mooie huis in Lage Mierde heeft voor velen een bijzondere betekenis gehad: een gastvrij onderkomen voor wie geen uitzicht had of zijn advies of hulp nodig had, een (t)huis om vriendschap en warmte te ervaren, een gezellige plek om een feest te vieren, een tuin om van te genieten, een kippenhok gedoopt tot Vatihaan, een rijk gevulde tafel met stoofvlees en salades en natuurlijk een goed glas wijn, rustgevende of vrolijke muziek van het juiste genre op het juiste moment, de "bushalte" waar je tot laat in het seizoen heerlijk buiten kon zitten, soms met de kachel flink rokend als verdrijver van de kou of verslinder van veel oud papier en hout.

Nu is dit allemaal herinnering geworden, goede herinnering, blij dat we hem hebben mogen meemaken.
We hadden hem nog zoveel mooie jaren gegund en hij kon nog zoveel aan. Hij was bijna nooit ziek, de laatste paar dagen een beetje, maar het leek niet verontrustend. Maar toch. Als hij moest sterven wilde hij graag ineens sterven, geen lang ziekbed, geen langdurige verpleging, "niet mezelf overleven" zei hij.
En zo is het ook (gelukkig voor hem) gegaan. Hij is plotseling gestorven in de morgen van 22 september 2010, buiten in de stoel onder zijn "bushalte". Het was zijn laatste halte.
Op 28 september 2010 hebben we met circa 600 mensen Jan herdacht en op een zeer bijzondere wijze zijn leven gevierd in de St.Caecilia kerk in Berkel-Enschot, de kerk waarvoor hij een aantal mooie ramen in de kapellen heeft gemaakt, de kerk ook waaruit zijn vader en moeder en zijn neef Koen zijn begraven.
Daarna is hij gecremeerd in Tilburg. Zijn as wordt bijgezet in het graf van zijn ouders op het kerkhof van Enschot aan het Torenpad en in de tuin van Ambrosiushof.
